Formulier invullen Nederlands “Sociolecten” (5.2)

Mensen communiceren door middel van taal; met taal geven ze elkaar boodschappen door. Daarnaast gebruiken mensen taal om aan te geven bij welke groep ze horen of graag willen horen. Ze gebruiken groepstaal en onderscheiden zich op die manier van andere sociale groepen.

Zo kan taalgebruik iets zeggen over de sociale klasse waartoe iemand hoort. De koninklijke familie praat anders dan een boerenfamilie op het platteland. Een popster praat anders dan een politicus.

Sommige taalwetenschappers houden zich bezig met die relatie tussen taal en sociale verschillen. Volgens hen is het bij communicatie niet belangrijk wat er letterlijk gezegd wordt, maar speelt ook het gedrag van de gesprekspartners een rol. Bijvoorbeeld hoe iemands lichaamshouding is tijdens het praten, of dat iemand laat blijken dat hij luistert door ’hm-hm’ te zeggen of te knikken.

Van belang voor de communicatie is ook of de sprekers elkaar sympathiek (= prettig) vinden of niet. Als mensen elkaar aardig vinden, passen ze zich bewust aan de taal van de ander aan. Als ze de ander liever op afstand houden, dan zorgen ze ervoor dat het verschil tussen hun taalgebruik en dat van hun gesprekspartners zo groot mogelijk is.

Mensen die tot dezelfde sociale groep horen, spreken hetzelfde sociolect. Ze passen hun taalgebruik aan elkaar aan en begrijpen elkaar daarom beter.

Opdracht 1:

A. Wat verstaan we onder een groepstaal? Taal waarbij mensen aangeven bij welke groep ze willen horen. Iemand uit Amsterdam praat anders dan bijvoorbeeld iemand uit een allochtone wijk.
B. Welke groepstalen ken je? Dialecten, accenten bijvoorbeeld: allochtonen, kakkers, boeren etc.
C Zijn een groepstaal en dialect hetzelfde? Ja, want de grootste groepstalen zijn streekdialecten.

Opdracht 2:

A. Hoe kun je taal gebruiken om je gesprekspartner op afstand te houden? Het verschil van taalgebruik tussen jou en je gesprekspartner zo groot mogelijk houden.
B. Welke aanspreekvorm in het Nederlands geeft ook afstand aan? Als je in een brief “Geachte mevrouw” zegt inplaats van “heey mevrouw”.
C. Wie spreek jij allemaal aan met deze aanspreekvorm? Soms leraren, maar ook mijn leidinggevende als ik een mail moet versturen of een sollicitatie brief.

Opdracht 3:

In boeken, toneelstukken en cartoons wordt vaak gebruik gemaakt van verschillen in taalgebruik tussen sociale klassen.

A. Hoe spreekt een stereotiepe deftige dame, bijvoorbeeld? Noem een voorbeeld. Heel erg met de R, dus een beetje kakkerig.
B. En hoe spreekt een stereotiepe boer? Een boeren accent.
C. Kloppen deze stereotiepe beelden, denk je? Leg uit waarom wel of niet. Bij sommige mensen wel, maar iedereen is anders dus ik denk dat je niet alle schapen over 1 kam moet scheren.

Opdracht 4:

Zijn de volgende uitspraken waar of niet waar?

A. Een Nederlandse jongen die straattaal spreekt, gebruikt een sociolect. Ja, want hij behoort tot een bepaald soort groep en dan passen ze hun taal op elkaar aan, zodat ze elkaar beter begrijpen.
B Dialecten zijn wel sociolecten, maar sociolecten zijn geen dialecten. juist
C Bij communicatie is het niet alleen belangrijk wat er letterlijk gezegd wordt, maar ook welk gedrag gesprekspartners spelen. Ja, want emotie is ook een belangrijk onderdeel bij wat er gezegd word en soms kan je aan iemands lichaamstaal aflezen wat diegene bedoeld.

 

FotoJet Design

 

You may also like

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *