Hoe is geld ontstaan?

Tegenwoordig hebben we allemaal wel muntgeld, briefgeld of we betalen met ons bankpas. Vroeger was dat wel anders. Muntgeld en briefgeld wat we nu kennen bestond nog niet en een bankpas dat kenden ze al helemaal niet. Voor dat geld werd uitgevonden werd er al veel langer geruild, door middel van spullen of dieren.

Je had bijvoorbeeld een kippenhouder en die produceerde op een gegeven moment zo veel eieren, dat hij niet meer wist wat hij met al die eieren moest doen. Zo is het ruilen begonnen. Een boer die te veel kippen had ging zijn eieren ruilen tegen het brood van de bakker.

Het ruilen bracht steeds meer nadelen met zich mee, want steeds moest er opnieuw onderhandeld worden over de waarde van bepaalde producten. Daarentegen waren veel producten bederfelijk en daardoor dus niet lang houdbaar. Goederen als schelpen en zout konden wel makkelijk geruild worden en hoefden niet gelijk door een ander gebruikt te worden. Vooral zout was erg geliefd en kon je dus weer ruilen tegen andere goederen.

Op een gegeven moment begonnen mensen steeds meer te reizen en kwamen ze dus op hun reis ook andere mensen tegen met ander soort producten. Deze producten werden geruild tegen hun eigen producten. Doordat het ruilen met mensen die ver weg woonden erg omslachtig was, namen ze goud en zilver mee. Uiteindelijk was dit ook geen succes, omdat het goud en zilver steeds opnieuw gewogen moest worden om de waarde te bepalen. Daarom werden er munten gemaakt en die waren allemaal even zwaar, zodat de waarde gelijk was. Er werd veel gesjoemeld met de munten. Mensen gingen stukjes van de munten afschaven, zodat ze daarvan weer een nieuwe munt konden maken. Dit probleem werd uiteindelijk opgelost, doordat ze ribbeltjes aan de zijkant en teksten op de munten gingen zetten. Als je een munt tegen kwam waar geen tekst op stond of waar geen ribbeltjes aan zaten, dan wist je dat het geen echte munt was.

De mensen kwamen er steeds meer achter dat ook muntgeld niet altijd handig was. Als je een duur voorwerp wou kopen had je een hele zak met munten nodig. Daarom werden de munten door veel mensen opgeslagen bij een goudsmid. De goudsmid gaf daarvoor in ruil een briefje waarop stond hoeveel geld ze in “bewaring” hadden bij de goudsmid. Het “briefgeld” kon aan iedereen worden gegeven en er werd veel betaald met het briefgeld. Elke kleine bank had nog zijn eigen briefgeld, dus er werd in die tijd veel briefgeld nagemaakt. De overheid greep in en zorgde ervoor dat iedereen hetzelfde briefgeld in handen kreeg. Op deze manier kon er niet meer mee gesjoemeld worden en wist je gelijk of het briefgeld echt was. De overheid zorgde ook voor een centrale bank, daardoor verdwenen alle kleine banken.

Het eerste briefgeld dat nu nog lijkt op ons eigen briefgeld uit de geldautomaat stamt uit 1939 en kwam uit New York. 25 jaar later werd de elektronische geldautomaat uitgevonden door John Stephard-Barron in Londen. In 1976 kwamen dan de elektronische geldautomaten in Nederland en konden de Nederlanders ook eindelijk pinnen.

 

 

FotoJet Design

 

You may also like

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *